Voedselbos

 

Principe

Een voedselbos is veel meer dan een bos waar eetbare soorten in staan; dat is immers het geval in ieder bos. Voedselbosbouwers ontwerpen, planten en beheren voedselbossen als zelfvoorzienende ecosystemen waaruit op termijn het hele jaar door kan worden geoogst. Afhankelijk van het seizoen variëert de oogst van diverse soorten fruit, noten, zaden en groenten tot wortels, knollen, paddenstoelen, eetbare bloemen en honing. Daarnaast levert een vitaal voedselbos een rijke ‘oogst’ op aan hoogwaardige natuur, aantrekkelijk landschap en andere nuttige producten zoals hout, medicinale kruiden en zaai- en plantgoed. Een voedselbos is met andere woorden een hartverwarmende verzoening van natuur en landbouw.

 

 

Vegetatielagen

In relatie tot de productiefunctie kan een voedselbos worden getypeerd als een zeer divers, agrarisch ecosysteem, ofwel een zogenoemde ‘polycultuur’ met de structuur van een natuurlijk bos. Een volwaardig voedselbos is minimaal opgebouwd uit de volgende acht ‘vegetatielagen’ of ‘etages’.

  1. Kruinlaag met hoge bomen zoals walnotenbomen en tamme kastanjes en hoogstamfruitbomen zoals de Els’ en zoete kers
  2. Lagere (fruit-)bomen en hogere struiken zoals hazelaars, appelbomen en Siberische olijfwilg
  3. Lagere struiken, bijvoorbeeld zwarte en rode bessen, frambozen en bottelroos
  4. Kruidlaag met overblijvende groenten zoals zeekool, daslook, asperge en artisjok
  5. Bodemkruipers en –bedekkers, bijvoorbeeld hondsdraf, Oost-Indische kers en bosaardbei
  6. Wortel-, knol- en bolgewassen zoals aardperen, zilverschoon, mierikswortel en geelwortel
  7. Klimplanten die zich door meerdere lagen heen klimmen, bijvoorbeeld kiwi, druif en hop
  8. Schimmels en bodemorganismen zoals champignons, cantharellen en eekhoorntjesbrood.
  9. Als er water aanwezig is, kan nog een negende laag worden toegevoegd aan de bovengenoemde lagen bestaande uit waterplanten zoals waterkers, lisdodde en Vietnamese watervenkel

 

 

 

Samenwerking met de natuur

Dankzij de hoge biodiversiteit en gelaagde structuur gedijen vele wilde soorten insecten, reptielen, amfibieën, vogels en zoogdieren goed in een voedselbos. Deze ‘wilde’ dieren zijn welkome gasten in het voedselbos omdat ze waardevolle functies vervullen bij de ‘productie’ van voedsel en natuur. De wissel- en samenwerking tussen de wilde en gecultiveerde natuur onder gunstige klimaatomstandigheden bevordert de ontwikkeling van een rijk en robuust agrarisch ecosysteem en een gevarieerd landschap. Bij het ontwerp houdt een voedselbosbouwer rekening met een breed scala aan factoren ter plaatse: van de overheersende wind en de gemiddelde neerslag tot de lichtinval, het aantal zonuren en de gemiddelde omgevingstemperatuur. Ook de behoefte aan voedingsstoffen en de bijdragen aan de bodemvruchtbaarheid van specifieke soorten spelen een rol, evenals de ter plekke beschikbare habitat en hoeveelheid voedsel voor biologische predatoren en bestuivers. De toepassing van (ervarings-)kennis over de wisselwerking tussen planten, dieren, locatiespecifieke omge- vingskenmerken en landschapselementen is dan ook de belangrijkste ‘externe input’ bij het ontwerp en beheer van een voedselbos.

Geleidelijk ontwikkelt het voedselbos zich tot een zelfvoorzienend ecosysteem waarin ziekten en plagen op natuurlijke wijze worden beheerst dankzij de aanwezige biodiversiteit en door gerichte stimulering van populaties die elkaar in balans houden. Na vijf tot zeven jaar opbouw en successie, waarin nieuwe soorten het systeem komen verrijken en verfijnen, treedt een rijpere en stabielere fase in. Mede dankzij de natuurlijke plaagbestrijding beperkt het ‘beheer’ van een gerijpt voedselbos zich voornamelijk tot de oogst van de diverse soorten eetbare vruchten, noten, zaden en bladeren en andere vormen van nuttige biomassa.

 


 

verder naar: